Longeren
Tijdens het longeren gebruik je een kaptoom, zweep (menzweep) en een longeerlijn.
Wanneer je paard vanuit het grondwerk geleerd heeft om in de juiste LVO (Lengtebuiging, Voorwaarts Neerwaarts en Ondertreden) te lopen, kun je een begin maken met het longeren.
Ook tijdens het longeren streef je ernaar dat je paard in de juiste LVO loopt.
De afstand tussen longeur en paard is groter dan bij het grondwerk: het paard loopt op zijn eigen volte, terwijl jij op jouw eigen volte blijft.
Het paard leert meer op eigen benen te lopen, terwijl jij hem met je lichaamshouding, positie, stem- en zweephulpen begeleidt.
Als het paard steeds beter in de LVO leert lopen tijdens het longeren gaat het zijn rug ontspannen en komt het in een voorwaarts neerwaartse houding en gaat het ondertreden met zijn binnenachterbeen richting het zwaartepunt.
Zijn buitenkant wordt gestretcht en aan de binnenkant spant het de spieren aan.
Het paard leert zo om op beide zijdes en in alle gangen in de lengte te buigen en een voorwaarts neerwaartse houding aan te nemen en onder te treden met het binnenachterbeen.
👉 Verder verdiepen? Ontdek het ledengedeelte


